//bach.de/leben/pics/signature.gif

up

 

Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust (BWV 170)

 

6de zondag na Trinitatis (eerste uitvoering 28 juli 1726, hernomen 1746)

lezingen: (epistel) Romeinen 6: 3-11;  (evangelie) Mattheüs 5: 20-26

tekst: Georg Christian Lehms, Gottgefälliges Kirchen-Opffer (1711)
 

homilie (16/2/2014), homilie (16/02/2020) en toelichting op de cantate in St. Norbertus)

Toemaatje: Maarten 't Hart over het eerste deel van deze cantate

 

1. Aria

Aria

Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust!

Dich kann man nicht bei Höllensünden,

wohl aber Himmelseintracht finden,

du stärkst allein die schwache Brust,

vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust!

Drum sollen lauter Tugendgaben

in meinem Herzen Wohnung haben. 

Vrede en rust, diep zielsverlangen,

Men vind je niet in hels krakeel

maar wel bij hemelse eendracht.

jij bent het die een zwak gemoed versterkt,

vrede en rust, diep zielsverlangen.

Daarom mogen enkel deugdzame zaken

in mijn hart hun woning maken.

 

 

2. Recitativo 

Recitatief

Die Welt, das Sündenhaus,

bricht nur in Höllenlieder aus

und sucht durch Haß und Neid

des Satans Bild an sich zu tragen.

Ihr Mund ist voller Ottergift,

der oft die Unschuld tödlich trifft,

und will allein von Racha, Racha sagen.

Gerechter Gott, wie weit

ist doch der Mensch von dir entfernet;

du liebst, jedoch sein Mund

macht Fluch und Feindschaft kund

und will den Nächsten nur mit Füßen treten.

Ach! diese Schuld ist schwerlich zu verbeten. 

De wereld, het huis der zonde,
barst uit in helse liederen
en tracht door haat en nijd
het beeld van Satan te incorporeren.

Haar mond is vol van slangengif,
al te vaak fataal voor de onschuld;

ze wil alleen maar roepen 'raka' (nietsnut).   [Mt 5,22]

God, die rechtvaardig zijt, hoe ver
is toch de mens van U afgedwaald;
Gij bemint hem, maar zijn mond
verkondigt vloek en vijandschap,
en wil de naaste slechts met voeten treden.
O, aan deze schuld kun je haast niet ontkomen.

 

 

3. Aria

Aria

Wie jammern mich doch die verkehrten Herzen,

die dir, mein Gott, so sehr zuwider sein:

Ich zittre recht und fühle tausend Schmerzen,

wenn sie sich nur an Rach und Haß erfreun.

Gerechter Gott, was magst du doch gedenken,

wenn sie allein mit rechten Satansränken

dein scharfes Strafgebot so frech verlacht!

Ach! ohne Zweifel hast du so gedacht:

Wie jammern mich doch die verkehrten Herzen! 

Wat lijd ik onder de perversie van die harten

die volkomen met U, mijn God, in strijd zijn:

ik sidder en voel duizend smarten,
als ik zie hoe zij enkel warmlopen voor wraak en nijd.
Rechtvaardig God, wat gaat er in u om,
als zij door zich in duivelse bochten te wringen
Uw scherp en straffend gebod brutaal weglachen !

Ach, ongetwijfeld hebt U ook gedacht:
Wat lijd ik onder de perversie van die harten !

 

 

4. Recitativo

Recitatief

Wer sollte sich demnach

wohl hier zu leben wünschen,

wenn man nur Haß und Ungemach

vor seine Liebe sieht?

Doch, weil ich auch den Feind

wie meinen besten Freund

nach Gottes Vorschrift lieben soll,

so flieht

mein Herze Zorn und Groll

und wünscht allein bei Gott zu leben,

der selbst die Liebe heißt.

Ach! eintrachtvoller Geist,

wenn wird er dir doch nur

sein Himmelszion geben? 

Wie zou er hier dus

nog willen leven,
als men slechts haat en ongemak

voor zijn liefde terugkrijgt?
Maar, omdat ik ook mijn vijand

net zoals mijn beste vriend,
naar Gods gebod moet liefhebben

zo wijkt

uit mijn hart toorn en bitterheid

en wenst het alleen bij God te leven,
die zelf de Liefde heet (of beveelt).

O, geest van eendracht,
wanneer zal Hij u

Zijn hemels Sion schenken?

 

 

5. Aria

Aria

Mir ekelt mehr zu leben,

drum nimm mich, Jesu, hin.

Mir graut vor allen Sünden,

laß mich dies Wohnhaus finden,

wo selbst ich ruhig bin.

Ik walg ervan nog langer te leven,
neem mij, Jezus, daarom weg!
Ik gruw van alle zonden,
laat mij de woning vinden,
waar ik zelf tot rust kan komen.

 

 

Evangelielezing: Mattheüs 5: 17-37

[Jezus is de berg opgegaan om samen zijn discipelen te onderwijzen. Catechisatie dus, en wel over de 10 geboden, Als een echte Joodse rabbi]

 

Jezus is een radicale rabbi, schrijft collega Frans van Looveren in de toelichting. En hij slaat daarmee de nagel op de kop. het gaat Jezus om de radix, de wortel van het menselijk gedrag. Hij is op zoek waar het vandaan komt, het menselijk handelen, want alleen als je dat weet, door hebt, kun je er misschien enige invloed op uitoefenen. Anders loop je het risico te doen aan symptoombestrijding.

Waar zit die wortel ?

“Uit het hart zijn de uitgangen des levens”, zegt de spreukendichter (Spr 4, 23).

‘Je hart bepaalt de richting van je leven.’

Daar ligt dus de wortel van het menselijk gedrag, van zijn handelen.

En daarover werd er me wat afgedebatteerd tussen de gelovigen in zijn tijd, over goed en kwaad, recht en slecht, trouwens wanneer doen gelovigen dat niet. Op zoek naar wat ‘rechtvaardig is’.

 

En vaak: hete hoofden, koude harten.

Kijk daar heb je het al… Jezus doet daar dus niet aan mee.

 

Een vrouw is betrapt op overspel: Wat zegt de algemene regel? Stenigen. En dan zijn er mannen die bereid zijn om dat uit te voeren, want dat zegt het recht, dus dat is rechtvaardig. Jezus houdt niet van zulk soort rechtvaardigheid  (casuïstich), want het hart blijft koud.

Jezus zit anders in elkaar. Hij ziet het hart aan, van de vrouw en van de aanklagers en hij probeert in zijn ‘rechtspraak’ die harten te raken.  En dus komt met een originele vorm van rechtspraak, ‘betere gerechtigheid’: melior-optima  justitia

Niemand gaat onberoerd naar huis.  Afin u kent het verhaal. De stenen blijven liggen, het schaamrood staat op de kaken, en niet alleen bij de vrouw. Het hart is geraakt. Levens zijn beïnvloed, de koers van sommiger levens is bijgestuurd..

 

Eigenlijk doet Jezus in de bergrede iets soortgelijks, maar nu in de vorm van onderricht. Hij gaat op zoek naar ‘the heart of the matter’ Moord, diefstal, overspel… [de geboden]:  dat is slecht. Dat is toch duidelijk.

En als je dat dus niet doet, je daar verre van houdt, dan zit je goed. En als je dan de misdadigers straft – bring them to justice – dan is het recht geschied en alles weer in orde…

 

Nee, zegt Jezus, dat is veel te simpel. Je vergist je… (en dat heeft zo z'n gevolgen).

Je bent niet radicaal genoeg, je hebt de ‘wortel van dit handelen’ over het hoofd gezien. Jouw rechtspraak is veel te oppervlakkig, windowdressing, symptoombestrijding…

Snap je het niet ?

Okay: word jij nooit boos, voel jij nooit de impuls om er eens op te slaan? Of heb jij dat nooit dat je op iemand neerkijkt en denkt: wat een dwaas, wat een nietsnut. Raka, raka. [= blijkbaar zeer algemeen bekend aramees scheldwoord = nietsnut]

Wel: daar begint het, in je hart. Daar loert het kwaad en wacht op z’n kans.

Bij de moordenaar is het jammerlijk geëscaleerd, maar denk niet dat het met hem te straffen weg is uit de samenleving.

De wortel van het kwaad zit veel dieper en is ook veel breder vertakt. Pestgedrag, afgunst, haat, verachting…. Daar begint het. Dat moet je aanpakken. Jezus is radicaal.

 

Daarom Wees alert… Ken jezelf !  Durf eerlijk in te zijn. Durf in je eigen hart te kijken, en niet alleen voor t slapen gaan. Doe je het niet, dan kom je jezelf straks nog vreselijk tegen.

 

En zo geeft ie nog een paar voorbeelden. Over ruzies, diefstal, zakelijke geschillen en overspel.

Ook bij die fenomenen gaat hij op zoek waar die vandaan komen, waar dat begint.

 

Echtbreuk, overspel: ook dat is een manifestatie van iets dat veel dieper zit, en al veel eerder is begonnen en dat je dus ook enkel recht kunt doen als je ook daarin ‘naar het hart van de zaak gaat’

Jezus kent de mens, hij weet wat voor vlees hij in de kuip heeft.

Zou het niet kunnen zijn, zegt hij, dat overspel begint bij de manier waarop je naar vrouwen kijkt ! Hoe je ze ziet !

Zie je ze als lustobjecten, wel ik voorspel je dat je onderuit zult gaan, of preciezer: je bent dan eigenlijk al onderuit gegaan. Uit het hart zijn de uitgangen des levens.

 

En al dat casuïstisch gepalaver over wanneer echtscheiden nog wel geoorloofd is en niet, dat is naast de kwestie. Trouw is trouw, en ontrouw heft dat op. Punt aan de lijn.

Ja maar de wet voorziet toch dat je rechtsgeldig kunt scheiden…

Zeker, maar je kunt die uitzonderingsartikelen niet gebruiken om je eigen handen in onschuld te wassen ! Dat is pas hypocriet.

Wij voelen dat misschien niet zo direct aan, maar Jezus neemt het hier resoluut op voor de vrouw, die in de oudheid quasi rechteloos was in dit soort zaken.

Beschamend is het bijv. wat de in de liberale school van Hillel allemaal wel niet als voldoende scheidingsgrond acceptabel werd geacht, zodat een man z’n vrouw kon wegsturen en een ander nemen.

En scherp ontmaskert hij dat in a man’s World de religieuze wet maar al te vaak dient om vrouwen klein te houden en de mannen een alibi te geven om hun gang te gaan.

 

Ik stop ermee, u hebt de boodschap wel begrepen en – hopelijk – ook dat Jezus de overdrijving niet schuwt, hyperbool, om de leerlingen ‘wakker te schudden’ …

Immers: het hart van de mens staat op het spel...

Daarbij komt het aan op echtheid, integriteit, eerlijkheid.

Laat uw ja ja zijn, en uw nee neen: wees betrouwbaar.

Ik weet niet of u het weet, maar in semitische talen (arabisch, hebreeuws) zijn waarheid en betrouwbaarheid quasi synoniem.In het Nederlands is daar onder invloed van de Statenvertaling een nieuw woord voor gesmeed: waarachtigheid.

Meer moet dat niet zijn !

 

Naar de cantate nu.

 

CANTATE TOELICHTING

Daar is een probleem met de lezing. Op kerknet staat altijd zo mooi: "ds. Dick Würsten zal de spiritualiteit van de cantate verbinden met de evangelielezing. Wel er is deze keer zo goed als geen verband.

 

De scenarist, Georg Christian Lehms, heeft dit stuk heel anders gelezen dan ik.

 

Hij is vooral onder de indruk geraakt van de corruptie die de menselijke natuur blijkbaar heeft aangetast volgens deze woorden. Hoe pervers het menselijk hart eigenlijk wel niet is. Jezus legt het bloot in een pedagogisch-didactisch kader, maar Lehms maakt er het hoofdonderwerp van zijn meditatie van. En de kans is groot dat ook de predikant dat gedaan heeft, want zo werd er in dit tijd gepreekt.

 Het lijkt zelfs wel alsof Jezus’ psychologisch inzicht in de dubbelheid van menselijke intenties veel 18e eeuwse gelovigen is ontgaan. De ambiguïteit waar Jezus zo gevoelig voor was wordt ontdubbeld, de zielswereld dus gesimplifieerd.

Lehms verdeelt in de cantate – geheel tegen de teneur van Jezus rede in – de mensheid weer in ‘goeden en slechten’ en – fatale fout – natuurlijk is de gelovige de goeie en zijn de slechteriken ‘de anderen.’

 

Uit de Evangelielezing heeft hij vooral onthouden hoe klein en gemeen veel mensen zijn.

Beetje begrijpelijk, want de lezing was beperkt tot de verzen 20-26, waar het gaat over moord en doodslag, en andere menselijk geruzie. Men scheldt elkaar uit, en roept ‘Raka Raka’… Een aramees scheldwoord dat het tot in de Bijbeltekst en de cantate heeft gehouden. Nietsnut betekent het. Pesten, wraaknemen, ervan genieten als je de ander kunt vernederen, een hak zetten:  jammerlijk hoezeer dit de mens van alle tijden blijft kenmerken.

 

In zulke helse omstandigheden (gekrakeel), hoe kun je dan nog tot rust komen, hemelse rust, zielerust. Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, ik zal u rust geven, rust voor uwe zielen, zegt Jezus. vergnügte Ruh, liefelijke zielelust…

 

De tegenstelling tussen die zo begeerde hemelse rust en het helse gekrakeel op aarde, beheerst de hele cantate…

De ziel wil wel hemelwaarsts streven maar die opvlucht wil niet echt gelukken.

 

Over de eerste aria zal ik aan het slot iets zeggen. Kort loop ik even de andere delen langs:

In het recitatief (nr 2) wordt de dramatisch slechte stand van zaken heel sec beschreven en door Bach even sec (secco) getoonzet, waarbij hij al op zeer expressieve wijze chromatiek gebruikt om dat in de verf te zetten. Het wringt aan alle kanten, dat voelt u wel.

 

Nr. 3, de tweede aria, is een heel vreemd stuk.

Een lange tekst voor een aria, waarbij het verdriet overweegt, Schmerzen, overweegt: ‘Wie jammern mich doch die verkehrten Herzen’ (hoe lijd ik toch onder al die geperverteerde harten ). Eerst wordt die zin in de mond gelegd van de gelovige, maar aan het eind komt ze terecht in de mond van God zelf, de rechtvaardige rechter.

Het is bevreemdende muziek, bijna modern, u zult het wel horen straks.

 

Er mist iets… En dat klopt: er is geen baslijn. Aria senza Violono; Tacet staat er in de partituur. De solist moet hier zingen zonder steun (geen fond).  Onder zich heeft hij enkel een groepje strijkers, maar daar heeft hij ook niet veel aan, want de chromatische voorslagen en de ditto harmonische voortschrijdingen zijn legio. Op dat strijkersweefsel heeft Bach dan een tweestemmige orgelpartij geschreven, eveneens vol slingerende chromatische bewegingen.

Muzikaal schildert Bach hier de tekst, niet alleen door bepaalde begrippen bijna letterlijk uit te beelden (bijv. de brutale lach – 2 regels voor de slotzin), maar vooral door dat onwezenlijke bevreemdende van het geheel:

Sommigen vinden teveel symboliek bij Bach, maar hier mag het zeker:

Als Bach de ‘Basso Continuo’ of in het Duits De Generalbass weglaat, wil hij daar iets mee zeggen. De generale bas is naar zijn eigen zeggen ‘het fundament van alle muziek’. Als hij die weglaat gaat het altijd over mensen die de vaste grond onder de voeten verloren zijn, dan wel die niet nodig hebben.

Hier is de boodschap duidelijk: hoezeer de ‘Satansränke’ zich ook vermenigvuldigen en de mensen in de greep houden, en God ook bijna machteloos lijkt, uiteindelijk zal blijken dat dit zonder fundament is, ‘Niets’ is: Nichtig. En ook tot niets zal worden.

Een orkestratiekeuze als geloofsbelijdenis.

 

De godvruchtige en deugdzame houding van de gelovige, hoezeer ook bemoeilijkt door hoe het op aarde toegaat wordt in recitatief 4 omgevormd tot een kreet van verlangen om door God thuisgehaald te worden, in zijn hemels koninkrijk, in Jeruzalem: Sion.

 

En zo culmineert de cantate in een jubelzang: de laatste aria: een echt triomflied waarin de gelovige een voorschot neemt op zijn thuiskomst bij God. Dit levert een wonderlijke spanning op tussen de letterlijke tekst en de sfeer van de muziek. De zin ‘mir ekelt mehr zu leben’… Ik walg ervan om nog verder te leven, wordt vrolijk en zonder verpinken gezongen, bijna dansend laat de gelovige deze door helse dampen onleefbaar geworden wereld achter zich en richt zijn blik omhoog.

Wij horen het niet, maar Bach laat de melodie hetzelfde doen: de vrolijk melodie die steeds weerkeert (ritornello) begint voor de zanger met een vermeerderde kwart (mir ekelt) : diabolus in musica, de tritonus. Hij springt er vrolijk overheen, want hij klimt naar Jezus op… en daar vindt hij dan eindelijk de rust, de rust voor de ziel, vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust.

De cirkel is rond: de zielerust waar de gelovige zo hartstochtelijk naar verlangt (1) is gevonden in Gods huis, bij God thuis.

cid:image001.jpg@01CF2037.86C23B80

 

Tenslotte: U weet misschien dat de Nederlandse auteur, Maarten ’t Hart, een echte Bach-fan is. In zijn boekje over Bach vertelt hij hoe hij deze cantate ontdekte. Het was de derde in zijn leven..

(we schrijven de jaren 1960)

In de etalage van een platenwinkel zag ik een afgeprijsde Archiv-opname. Ik had geen geld bij me, ging desondanks de winkel binnen en vroeg of ik er een stukje van mocht beluisteren. In zo’n claustrofobisch hokje hoorde ik toen uit de luidsprekertjes die in het plafond gemonteerd zaten de openingsmaten van cantate 170. Ik zal het nooit vergeten. Alsof de muziek rechtstreeks uit de hemel kwam. Zwaar aangedaan stapte ik het hokje uit. Amper tot spreken in staat en hevig slikkend, mompelde ik: ‘Ik zou deze opname graag meenemen maar ik heb helaas geen geld.’ De winkelier keek mij vorsend aan, zei: ‘Neem maar mee’.

 

Nu is Maarten ‘t hart wat Bach betreft overgevoelig, maar deze keer overdrijft hij niet. We kunnen Bach’s glimlach bijna voelen als hij deze muzieknoten opschrijft: een muzikale verbeelding van de ‘Himmelseintracht’, de hemelse harmonie.  Het warme timbre van hobo en strijkers in dat rustig wiegende ritme roept een gevoel op van vrede en verlangen: Vergnügte Ruh, beliebte Seelenrust.

 

Als u mij belooft dat u over de catechismusles van Jezus thuis zult nadenken, dan geef ik u nu verlof om lekker weg te dromen met deze cantate.

 

 

 

Evangelielezing: Mattheüs 5: 17-18: 21-26      homilie 16/02/2020 

Beste mensen,
Met deze passage uit de Bergrede zet Jezus ons ethisch denken onder hoogspanning. Hij vindt dat wij veel te snel tevreden zijn met ons handelen, veel te snel denken dat het wel goed zit, dat we wel goed bezig zijn.  

Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doodslaan.
Wie iemand doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht.
Maar Ik zeg u:
Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht.
En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin,
En wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel.

U hebt de stijlfiguur te pakken ? Hyperbool. Gebruik je om mensen iets duidelijk te maken, dat ze niet willen zien.
De meeste mensen denken immers bij het gebod ‘gij zult niet doden’: Mwa, dat zit bij mij wel goed. Ik heb nog nooit iemand doodgeslagen en vervolgens willen we overgaan tot de orde van de dag…
Ho, ho, ho… zegt Jezus.
Heb je het nooit voelen borrelen van binnen als je collega weer eens helemaal de plank missloeg, of je echtgenoot, of kinderen... Natuurlijk wel: naar de gevangenis ! jij.
En heb je niet eens meegeroepen met de menigte: "nietsnut"  (= raka in het Aramees, blijkbaar populair scheldwoord toen), welnu: naar het Hof vanAssisen !
En heb je eimand al eens uitgemaakt voor 'zot' , dan zul je branden in de hel !
Prachtig antithetische hyperbool met climaxwerking.

[En dan te bedenken dat mensen zonder taalgevoel (die meer dan gemiddelde kans maken om leiders te woren in protestantse kerken) nog steeds menen dat dit letterlijk bedoeld is en dat Jezus dus zegt dat je naar de hel zult gaan als ... ]

Het is wel duidelijk: Jezus vraagt een betere ‘gerechtigheid van zijn volgelingen’ dan enkel een uiterlijk zich conformeren aan de regels. Niet enkel echte schoonheid, maar ook het echte rechtvaardigheid zit van binnen. Daar, bij wat de bijbel noemt: je hart… daar begint het. Het goed-doen zowel als het kwaad-doen. Daar, in je hart, daar loert het kwaad en wacht op z’n kans.

Ook bij een moordenaar is het zo. Ook bij hem is het ooit van binnen begonnen. Bij hem is het jammer genoeg geëscaleerd, is het nu te laat. Welnu: Zorg jij ervoor dat jij er op tijd bij bent, dat je je ervan bewust bent. De wortel van het kwaad – aldus Jezus – zit dus dieper dan uit z’n uitwendig handelen blijkt. En die wortel kan onderhuids groeien, woekeren, ondergronds. De Joodse rabbi’s (met wie Jezus hierover in gesprek is, en waartoe hij zelf ook behoort) hebben trouwens precies dit als mensbeeld ontwikkeld.

Zij stellen dat er een dubbele impuls in elke mens zit.
  1. een hang, verlangen naar het goede (jetser ha-tov)
  2. een hang naar het kwade (jetser ha-ra).
Beide zijn ‘neigingen’ (of aandriften inclinaties), d.w.z. hebben eerst nog geen uiterlijke gestalte, leiden niet automatisch of noodzakelijk tot bijpassend gedrag. Meteen in Genesis wordt dit al zo geschetst: In het oerverhaal over de twee broers Kain en Abel. Daar komt 'iets tussen de broers’ en 'Kaïn’s aangezicht verviel’, zegt de schrijver plastisch... Je ziet het voor je. En als hij nu naar zijn broer kijkt, is z'n blik vol afgunst. En - dus - krijgt hij een waarschuwing: “Pas nu op, de zonde ligt als een belager aan de deur en zijn begeerte gaat tot u uit." Versta: Als ge nu niet alert reageert zal hij binnensluipen en het huis van binnenuit overnemen... "Maar ge kunt over hem heersen..." Enfin, het loopt verkeerd af, u kent het verhaal wel. Een antropologische constante, een oergegeven. Maar het kan ook anders...

Terzijde: ik vind dat een gezondere antropologie (mensleer) dan die van de Heidelbergse Catechismus, waar de mens 'geneigd is tot alle kwaad, en niet in staat tot enig goeds". En ook beter dan Freud met z'n deterministische schijn-diepte-psychologie. Hier wordt aan de mens getrokken, naar twee kanten (Romeinen 7), èn hij weet het. Sterker nog: zolang de jetster ha-ra niet in slechte daden wordt omgezet, is ook zij een 'scheppingsgave'. In de rabbijnse literatuur (Talmud) wordt ze zelfs als een 'creatieve drive' gezien. 

Dus: leer alert te zijn, waakzaam. Dat is een kwestie van opvoeding/pedagogie. Zorg dat je de goede impuls voedt en de kwade tijdig detecteert voordat die zich kan vertakken.
Wees er snel bij. Liever te vroeg dan te laat. Laat een negatief gevoel niet te lang sluimeren, want dan gaat het broeien, en groeien en is het te laat. Dus: als er ‘iets is’ tussen jou en een van je naasten… doe niet net alsof er niets aan de hand is, gewoon doorgaan. Neen, regel het voor het de kans krijgt om tot een echte kloof uit te groeien. En wees dan ook niet bang om het initiatief te nemen. (= teneur van het tweede deel van de evangelielezing)

Wees alert… Ken uzelf ! Durf eerlijk te zijn. Kijk in je eigen hart… en niet alleen voor ‘t slapen gaan. Doe je het niet, dan kom je jezelf straks vreselijk tegen…
En zo geeft Jezus in het vervolg (dat we niet gelezen hebben) nog een aantal voorbeelden. Over ruzies, zakelijke geschillen en overspel. Op al die terreinen geldt: dat het begin van zulke zaken, vaak zit in kleine dingen.

Enfin, u hebt de boodschap wel begrepen en dat Jezus de overdrijving niet schuwt, hyperbool, om de leerlingen ‘wakker te schudden’

 vergnugte Ruh

Naar de cantate nu. Daar is een probleem.

De scenarist, Georg Christian Lehms (de pagina uit 'Gottgefälliges Kirchenopffer' met de cantatetekst hierboven) heeft hetzelfde stuk gelezen als wij en er een fraaie barokke meditatie (‘Andacht’ in het Duits) bij geschreven om op muziek te zetten: Drie strofische gedeelten, onderbroken door twee recitatieven. Taalkundig sterke teksten, met veel sterk gevoelsgeladen woorden. Gefundenes Fressen voor barokke componisten. Jezus’ psychologisch inzicht in de dubbelheid van menselijke intenties is blijkbaar veel 18e eeuwse gelovigen ontgaan. De ambiguïteit waar Jezus zo gevoelig voor was, wordt door Lehms gewoon ontdubbeld, de complexe zielswereld die hier geschetst wordt, gesimplifieerd.

 Lehms verdeelt in de cantate – geheel tegen de teneur van Jezus’ rede in – de mensheid gewoon weer in ‘goeden en slechten’ en natuurlijk is de gelovige de goeie (de ik-figuur, de alt) en zijn de slechteriken ‘de anderen’. Dat Jezus precies die houding kritiseert is hem blijkbaar helemaal ontgaan (voor dat wereldbeeld gebruikt het evangelie de gerechtigheid der schriftgeleerden en farizeeën als 'chiffre' - ook niet helemaal eerlijk t.o.v. de reële schriftgeleerden al dan niet van farizese strekking). Uit de Evangelielezing heeft hij enkel onthouden dat mensen ‘boos worden’; elkaar beledigen en uitschelden voor ‘dwaas’ en luidop ‘raka’ roepen. Dat Aramese scheldwoord moet Lehms hebben getroffen, want hij heeft het in de cantatetekst mee opgenomen (recitatief).

         Citaat: und will allein von Racha, Racha sagen

Het inspireerde hem tot het beeld van een bestaan als een kakafonie, een huis vol herrie, lawaai, roepende mensen, scheldtirades: dat is de boze wereld daarbuiten: een hels tafereel, een en al gekrakeel. Hoe, zo vraagt hij zich dan af (eerste aria) kun je dan nog tot rust komen: hemelse rust, waar je je ziel aan kunt laven: vergnügte Ruh, beliebte Seelenust. De tegenstelling tussen die zo begeerde hemelse rust en de helse kakafonie op aarde, beheerst de hele cantate…

[uitgebreide bespreking van de muzikale eigenaardigheden bij Eduard van Hengel

Nr. 1 De eerste aria schetst het verlangen… en muziek van Bach roept die rust ook al op. Dit is een Bach-aria’s uit de top 10, trouwens aller tijden. Ze werd ook na Bach’s dood nog vaak uitgevoerd (meestal als solostuk). Je kunt er heerlijk op wegdromen. De noten, de sfeer, het is een volgehouden muzikale uitbeelding van de ‘Himmelseintracht’, de hemelse harmonie. Het warme timbre van hobo, de pulserende toonherhalingen van de strijkers, het rustig wiegende ritme roept een gevoel op van vrede en verlangen: Vergnügte Ruh, beliebte Seelenrust.

Nr. 2. Maar de realiteit is anders. Die wordt in het recitatief beschreven. Het gaat dramatisch slecht met de wereld. Dit wordt heel sec beschreven en door Bach en even sec (secco) getoonzet, waarbij hij op zeer expressieve wijze chromatiek gebruikt om dat in de verf te zetten. Het wringt aan alle kanten, dat voelt u wel.

Nr. 3, de centrale aria, is een heel bijzonder stuk. Een lange tekst voor een aria: ‘Wie jammern mich doch die verkehrten Herzen’. Typisch Lehms: de gelovige ziel lijdt eronder dat die ‚anderen’ zo slechts zijn: En God is het met hem eens, dat weet hij zeker… De zin wordt aan het einde in Gods mond gelegd. Zo plat als deze gelijkstelling (eigen waardering = Godes waardering), zo verrassend origineel is de muziek van Bach.
Bevreemdende muziek, bijna modern, u zult het wel horen straks. Er mist iets, er is geen baslijn. 
Aria senza violono; Tacet staat er in de partituur. De solist moet hier zingen zonder steun (geen fond). Onder zich heeft hij enkel een groepje strijkers, maar daar heeft hij ook niet veel aan, want de chromatische voorslagen en de ditto harmonische voortschrijdingen zijn legio. Op dat strijkersweefsel heeft Bach dan ook nog een tweestemmige polyfone orgelpartij geschreven, eveneens vol slingerende chromatische bewegingen. Muzikaal schildert Bach hier de tekst, niet alleen door bepaalde begrippen bijna letterlijk uit te beelden… , maar vooral door dat onwezenlijke bevreemdende van het geheel. 'The Waste Land' verklankt.

Nr. 4. In het tweede recitatief trekt de godvruchtige gelovige (oh, wat  vonden/vinden kerkgangers zichzelf vaak goed) z’n conclusie: Hij wil daar niets mee te maken hebben. Weg van hier, weg uit dat aards gekrakeel, op naar het hemels koninkrijk, Sion… waar rust is en harmonie.

Nr. 5. En zo loopt de cantate dan ook uit op een jubelzang: de laatste aria: een triomflied waarin de gelovige een voorschot neemt op zijn thuiskomst bij God. Dit levert een wonderlijke spanning op tussen de letterlijke tekst en de sfeer van de muziek. De zin ‘mir ekelt mehr zu leben’… Ik walg ervan om nog verder te leven, wordt vrolijk en zonder verpinken gezongen. Bijna dansend laat de gelovige deze door helse dampen onleefbaar geworden wereld achter zich en richt zijn blik omhoog.

Wij horen het niet, maar Bach laat de melodie hetzelfde doen: de vrolijk melodie die steeds weerkeert (ritornello) begint voor de zanger met een vermeerderde kwart (mir ekelt) : diabolus in musica, de tritonus, muziekduivel. Hij springt er vrolijk overheen, want hij klimt naar Jezus op… en daar vindt hij dan eindelijk de rust, de rust voor de ziel, vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust.

De cirkel is rond: de zielerust waar de gelovige zo hartstochtelijk naar verlangt (nr. 1) is gevonden in Gods huis, hij is thuis, bij God in Sion.

Als u mij belooft dat u over de levensles van Jezus thuis zult nadenken, dan geef ik u nu verlof om lekker weg te dromen met deze cantate.

 

 

 

 


Dick Wursten (dick@wursten.be)